Villa Entropie 2

 

.                  E n t r o p i s c h   L e v e n

 

                          Gereedschap 2  Gereedschappen   Gereedschap 3

In het artikel Het Recept werd  uitgelegd dat het recept de volgende posten bevat: Gereedschappen, Men Neme, Pandgeld, Roeren en Mengen, Klaar!
We gaan deze posten nader beschouwen en van iedere post de prijs berekenen in tovers. Allereerst het gereedschap.
 

De toestand van een systeem verandert niet vanzelf. Dat gebeurt pas als er van buiten af arbeid wordt uitgeoefend op het systeem. Er dient dus te worden beschikt over één of meerdere arbeiders. In mijn veranderwereld noem ik deze arbeiders het gereedschap. Het gereedschap kan zowel een voorwerp als een levend wezen, of een combinatie van beide, zijn.

Voor het systeem 'Groninger tafel' gebruikte mijn vader als gereedschap hamer, beitel en schaaf. Maar hij zette Olfert ook in - in de rol van gereedschap. En ja, zelf was hij ook wel gereedschap. De verzameling denkbare gereedschappen is eindeloos groot. Vrijwel alle voorwerpen, produkten, voertuigen, bouwwerken, planten, dieren en mensen om mij heen kunnen voor mijn leven dienen als gereedschap.

 
Wat is dan de prijs van de inzet van de hamer voor de tafel? 
Deze prijs is gelijk aan:
                                                                         Inzetfactor x Afspeeltover Hamer
 
T o e l i c h t i n g :
 
  • De Eigenwaarde.
Ik sluit mijn ogen en zie erts uit een mijn uit de Omgeving komen, de ertstrein rijden, het schip varen, de hoogovens roken, de walsen draaien, de maakfabriek rumoeren, de nieuwe hamer in het warenhuis, mijn vader die hem koopt. Merk op dat bij al deze gebeurtenissen waarde wordt toegevoegd, deze toegevoegde waarden kan ik uitdrukken in tovers, kom ik later  op terug. Maar dan mis ik nog iets heel wezenlijks: wat is de beginwaarde van de erts in de mijn, de door de natuur toegevoegde waarde zonder mensenbemoeienis, de eigenwaarde van het erts?!
Zo beland je bij de wezenlijke vraag: wat is de absolute waarde van een stukje Aarde, of een stukje lucht, nog ruimer: een pandje van het heelal.
Het moet een waarde zijn die voor ieder mens op Aarde dezelfde is.
Het moet een standvastige waarde zijn, alle dagen.
De waarde moet reproduceerbaar zijn, hij moet kunnen worden bewezen.
Het moet de door de natuur toegevoegde waarde zijn.
                                                                                                •••
Beschouw het pand 'erts bij 20 °C en 1 atmosfeer':
1.
Door het toevoegen van ruimte aan het pand krijgt het inhoud.
De meter is de bijbehorend intensieve toestandsgrootheid.
De inhoud is de bijhehorende extensieve toestandsgrootheid.
2.
Door het toevoegen van stof aan het pand krijgt het massa.
De dichtheid is de bijbehorende intensieve toestandsgrootheid.
De massa is de bijbehorende extensieve toestandsgrootheid.
3.
Door het toevoegen van beweging aan het pand krijgt het X.
De temperatuur is de bijbehorende intensieve toestandsgrootheid.
Een nog onbekende X is de bijbehorende extensieve toestandsgrootheid.
                                                                                                 •••
Beschouw ‘X’ :
De waarde van X wordt bepaald door al datgene wat er verandert in het ertspand door het toevoegen van beweging ofwel warmte, anders gezegd de waarde van X wordt bepaald door het interne milieu van het pand:
  • De configuratietoestand van de verschillende soorten atomen in de moleculen;
  • De configuratietoestand van de moleculen in de verschillende aggregatietiestanden bose-einsteincondensaat, vast, vloeibaar, gas en plasma;
  • De configuratie van kristallen in macroverbanden;
  • de trillingstoestand van de zuurstof- en ijzeratomen, de trillingstoestand en de snelheid van de ertsmoleculen; 
  • de macroscopische snelheden.
                                                                              •••
De eenheden van X.
Dus bij toevoer van energie gaat intern alles meer trillen, roteren en lineair bewegen waardoor de temperatuur stijgt.
Echter de verhouding energie-opname/temperatuurstijging is voor ieder systeem weer anders en wel in twee opzichten:
1. twee systemen zijn innerlijk sowieso verschillend; 
2. de verhouding verandert per systeem tijdens het toevoegen van energie voortdurend omdat het systeem innerlijk voortdurend verandert. 
Op grond van deze overwegingen heeft men voor de extensieve grootheid X de volgende definitie gepostuleerd:
 
                                                                                   dX = dQ/T    kiloJoule/graad Kelvin [kJ/°K].
waarin
-  dQ = een toegevoegd beetje energie
-    T = de temperatuur tijdens het toevoegen van dat beetje
-  dX = de stijging van de waarde van X door het toevoegen van dQ bij T
 
Dit betekent dat X gelijk is aan de som van de partjes toegevoerde warmte gedeeld door de bijbehorende temperaturen, waarbij de warmte wordt toegevoerd.
Voorbeeld:
Het opwarmen van bevroren water bij 1K geeft reeds bij een kleine warmtetoevoeging een grote entropiestijging. Immers in het quotient Q/T is de noemer erg klein. De entropiestijging gaat daarentegen langzaam bij het opwarmen van stoom die reeds op 200 C is. In dat geval groeit de teller maar langzaam ten opzichte van de verhoudingsgewijs grote noemer.

                                                                                                                               •••

De waarde van X.
Op het eerste gezicht zou je zeggen: breng dat ertspand op nul graden Kelvin, warm hem dan op bij 1 atmosfeer tot de gewenste 20 graden Celcius. De opgenomen warmte kan eenvoudig worden gemeten met een Joulemeter, deel de gemeten waarde door 276+20 = 297 graden Kelvin en ziedaar de waarde in kJ/K.
Maar dat is te kort door de bocht, want zo wordt er aan voorbij gegaan dat tijdens het opwarmingsproces ieder toegevoegd kleinste warmtehoeveelheidje moet worden gedeeld op de dàn aanwezige temperatuur van het pand.
Als je het goed wilt doen maak je een optelsom van een heel groot aantal quotienten van een heel groot aantal warmtequanta met een even groot aantal toestandstemperaturen T. Zo breng je het hele pad van van toestandsveranderingen in beeld, het toverpad.
Het aantal toestandsveranderingen is n en wordt niet oneindig, want toestandsveranderingen zijn gekwanteld, net als de kleinste warmtehoeveelheden, de energiekwantjes ooit door Max Planck ontdekt.
In wiskundetaal ziet deze optelsom er zo uit:
 

                Formule

waarin:
dq(i) is kleinste energiekwantje voor toestandsverandering met nummer i; er gaan precies n van deze kwantjes in de totale hoeveelheid opgenomen warmte;
T(i) is de temperatuur van het pand bij toestandsverandering i.
Van deze formule wordt vaak alleen maar een enkele term gegeven: dX = dQ / T                                                            

                                                                                •••

Naamgeving.
De eerste mens, die zich bewust werd van het bestaan van de toestands-grootheid X was de Pruisische natuurkundige Rudolph Clausius (1822 - 1888).
Hij gaf aan X de naam entropie, afgeleid van het Griekse ητροπ'η en vertaalde dit met het Duitse woord Verwandlung. In het Nederlands te vertalen met 'verandering' en 'omvorming'. Maar in het Grieks betekent het: naar binnen krullen, en ook schaamte of verlegenheid.
Hij duidde de entropie met het symbool S. Hij was de eerste die schreef: dS = dQ / T
                                                                                •••
De waarde van het pand 'IJzererts voor Hamer'.
De entropie is een heel gevoelige grootheid, want zij reageert scherp op iedere microscopische verandering in het pand, zowel configuratie als beweging. Haar onderscheidend vermogen is vele malen groter dan dat van de grootheden volume en massa. Zij is ook universeler.
Daarom kies ik ervoor de intrinsieke waarde van een pand uit de natuur uit te drukken in de toestandsgrootheid S. Ik noem het de eigenwaarde.
En om duidelijk te maken dat het uitsluitend de waarde is van het pand-systeem zèlf en niet die van de omgeving voeg ik aan S de letter σ toe (Griekse letter s voor 'systeem').Hiermee bedoel ik de entropieverhoging die ontstond toen de erts miljoenen jaren geleden chemisch werd gevormd.
Dus de eigenwaarde van de erts voor de lepel is Sσ erts/hamer [kJ/0K].
 
  • De Toegevoegde Waarden.
Voor het winnen van de erts moesten een boormachine, een wiellader, een shuttletrein en een transportsysteem inclusief bemensing worden ingezet. Dus tussen Toestand 1, Erts in de mijn, en Toestand 2, erts boven de grond, verandert er nogal wat. Een toestandsverandering, een tover. Tijdens deze verandering stijgt de totale entropie van de biosfeer met de waarde ΔStot 1-2 hamer [kJ/ºK]. Dit noem ik een toegevoegde waarde aan de prijs van de hamer.
 Deze ΔStot 1-2 hamer is de som van:
- de verandering van de eigenwaarde Sσ van het beschouwde systeem 'Erts', deze waarde zal tijdens het delven niet veel veranderen, maar verderop wel:de chemische reactie in de hoogoven. Dit is de vormingsentropie;
- de verandering van de configuratie-entropie Scf van de omgeving van het systeem, voorbeeld: de verspreiding in de dampkring van de kooldioxide die uit de hoogoven komt;                   
- de verandering van de thermische entropie Sθ van de omgeving van het systeem, voorbeeld:de kooldioxide in de dampkring geeft duurzame temperatuurstijging.
 
Na Toestand 2 volgen nog heel wat toestandsveranderingen voordat we de hamer op de werkbank van mijn vader hebben liggen.
Met het volgende plaatje geef ik een idee van het toverpad van - in dit geval - een lepel:   Toverpad lepelIn dit plaatje heb ik 8 tovers  Toestandsverandering opgenomen, afhankelijk hoe groot je de verschillen tussen de toestanden Toestand kiest. Ik had ook 1 reuzenstap kunnen nemen tussen de mijn en de lepel, maar een miljoen stapjes is ook denkbaar. De kunst is de tovers zo te kiezen dat je ze ook echt kunt doorrekenen, kom ik nog op terug.
 
Ziezo, de lepel is klaar! Maar nee, tijdens zijn gebruiksjaren wordt hij regelmatig gepoetst en na afloop wordt hij weggegooid, komt op de vuilnisbelt - en verroest langzaam maar zeker, de roestdeeltjes gaan op reis en spreiden zich in de biosfeer van de Aarde. Dan is het pas Klaar, nee, want die deeltjes gaan nog eeuwen door, het is nooit klaar! Er is geen begin en er is geen einde. Ja, wel klaar, want teruggeven aan de Omgeving.
Dus ik voeg toe:

 Toverpad lepel vervolg

En toch, maar toch, we zijn nòg niet klaar, want de in te zetten gereedschappen voor de tovers hebben elk hun eigen toverpad en dan wordt het plaatje:

Toverpad lepel abstract

De inzet geef ik aan met Inzeten dan zie je dat het toverpad hamer omringd is met toverpaden Vrachtauto, Hoogoven, Vrachtschip, Fabriek en ga maar door. En al die toverpaden worden weer ondersteund door andere toverpaden en zo heeft tot slot alles met alles te maken, dat zie ik zo:
Toverpad lepel micro
 
Een tover is Lijn toveren een toestand is Lijn toestandDe inzet-pijlen geef ik aan met: Inzet pijlenDit plaatje roept bij mij de associatie op met een breiwerkje dat van voren wordt aangebreid, maar gelijk aan de achterzijde wordt uitgehaald, waarbij de loskomende draad aan de voorzijde voor het breien opnieuw wordt ingezet. Ja, er is behoud! Wat niet hetzelfde is als kringloop.Als je het patroon helemaal kompleet wil hebben, denk het dan driedimensionaal en stop het hele heelal erin, maak het patroon grenzeloos oneindig, want werkelijk, alles heeft met alles te maken.
 
De totale toegevoegde waarde voor de hamer wordt dan  ΔStot 1-n hamer   [kJ/°K].
Waarom een 'n' en niet '∞': Het deponeren van de hamer op de belt is de laatste toestandsverandering, deze geef ik volgnummer n. Dan is het ijzer weer terug in de Omgeving.
 
  • De Afspeeltover AT

De waarde van de Afspeeltover Hamer is gelijk aan de som van Eigenwaarde Ertspand en de (eraan) Toegevoegde Waarden tot aan de vuilnisbelt toe. Het is de waarde van het hele leven van de hamer. Denk nog eens aan dat draaiorgel op de Markt van Delft: het is vanaf het eerste tot en met het laatste gat in het orgelboek, het is vanaf de vorming van de eerste klank tot en met het versterven van de laatste. Het is het ganse levenslied. Daarom zeg ik altijd dat mijn eigen tover wordt afgespeeld.

 
  • De inzetfactor fg van het gereedschap
De inzetfactor fis het getal waarmee de afspeeltover van de rijtjeshamer AT Hamer moet worden vermenigvuldigd om de inzet van mijn vaders hamer voor een enkele Groninger tafel te berekenen in Tover
Deze factor is als volgt opgebouwd:
                                                                        fg = (1/(C*Tg))*fn*f0
waarin
   - C = capaciteit, ofwel aantal produktie-eenheden p.e. / jaar. Mijn vader maakte bijvoorbeeld iedere week een meubel vergelijkbaar met de Groninger tafel en hij nam 4 weken per jaar vrij. Dan is C=48 [p.e./jaar]
   - T= diensttijd gereedschap, ofwelaantal jaren dat mijn vader de hamer gebruikte. Stel hij deed 10 jaar over een hamer en kocht dan een nieuwe, dan is Tg = 10 [jaar]
   - fn = aantal gereedschappen, ofwel mijn vader gebruikte in zijn werkplaats twee hamers want Olfert had er ook een, dus fn = 2 [-]
   - fo = hoedanigheid van het gereedschap, ofwel mijn vaders hamer had twee maal zoveel massa als de rijtjeshamer uit de AT Hamer, dus fo = 2 [-]
Vul deze getallen in en je krijgt
                                                                        fg = (1/(48*10))*2*2 = 0,008
 
De inzetfactor van gereedschappen, waaronder mensen, is vaak erg klein, bijvoorbeeld: stel de hamerfabriek werkt 40 jaar ononderbroken, dan zijn 5 minuten voor het maken van 1 hamer bijna te verwaarlozen en dat geldt al helemaal voor de entropische effecten van de ondersteunende toverpaden van de hamerfabriek. Jannes noemt dit de Wet van Adam en Eva: van hun zonden wordt ons een oneindig klein partje aangerekend. De vraag is trouwens of in het Paradijs de entropie werkelijk constant was, want ook voordat Eva van de appel at was de duivel er al.
 
  • De prijs van de inzet van de hamer
De  inzet van de hamer voor de tafel voegt dus een waarde toe aan de tafel die gelijk is aan: 
                                                           fg hamer * AT Hamer [kJ/°K].
Anders gezegd: de prijs van de inzet van de hamer voor maaktover MT Groninger Tafel komt dan uit op
                                                           Toverfg hamer * AT Hamer
Op dezelfde manier bereken ik ook de inzet van alle andere gereedschappen met inbegrip van mijn vader en Olfert waarvoor geldt:
             Prijs inzet vader = Toverfg vader *AT Mens                 Prijs inzet Olfert = Toverfg olfert *AT Mens                                 
Zo werkt de entropische kostprijsberekening. De klassieke waardebepaling van produkten lijkt hierop, maar is veel beperkter. De eerste die vermoedde dat er meer aan de hand was, was Karl Marx met zijn vervreemding en wezenlijke ellende.